|
voor
meer referenties klik hier of ga naar links/work
Titel:
Mijn leven is een soundtrack
Subtitel:
Een zelfportret van Rockfotograaf Alex Vanhee in 11 vragen.
Tekst:
Arianne Van Doninck voor Attitude special edition 2008
Foto’s
copyright Alex Vanhee
Inleiding:
Alex Vanhee wil gewoon zijn ding doen: zijn passie voor muziek combineren
met zijn liefde voor de fotografie. De Morgen zag er begin
jaren ’90 wel iets in, stuurde hem op pad en de rest is geschiedenis.
Sindsdien vind je hem terug voor en achter de grootste podia van het land,
klaar om dat ene onvergetelijke moment op de gevoelige plaat vast te leggen.
Zijn werk wordt gewaardeerd door de grootste artiesten en hij
publiceert regelmatig in het buitenland, maar hij blijft bescheiden.
Je
werk wordt gepubliceerd in binnen- en buitenland. Waaraan kan je van ver
een echte Alex Vanhee herkennen?
Vroeger,
toen ik nog met zwart-wit film werkte, was het mijn handelsmerk om hard
af te drukken, met veel korrel en contrast. Als je met film
werkt, heb je verschillende stadia die je naar je hand kan zetten, van
de opname over de ontwikkeling tot de afwerking. Nu werk ik digitaal,
dus
is het moeilijker om zo’n stijl aan te houden. Iedereen vertrekt
immers van dezelfde Nikon of Canon. Ik denk dat het hem zit in hoe je
naar dingen
kijkt, hoe je kadreert.
Hoe
bevalt het je om digitaal te fotograferen?
Redelijk
goed, ik heb er mijn draai in gevonden, maar ik vind wel dat er wat van
de magie weg is. Als je zwart-wit te fotografeert, zie je de
wereld ook zo. Je hoeft niet te letten op kleding en kleuren, je kan meer
gaan voor de compositie. De eerste twee jaar dat ik digitaal begon te
werken, en dus in kleur, heb ik geen enkele foto gemaakt waar ik tevreden
over was.
Wanneer
is een foto geslaagd?
Als ze je
wijst op iets dat je niet gezien hebt, een detail dat je niet was opgevallen…
Zien gebeurt in je hoofd, het is een interpretatie van de
realiteit. Dat is het mooie aan concertfotografie: al sta je met 12 mensen
op een vierkante meter te fotograferen, iedereen heeft iets anders
gezien.
Is
België een goede uitvalsbasis voor een rockfotograaf?
De publicaties
waar ik voor werk betekenen niets op wereldschaal, maar die positie heeft
zo zijn voordelen. Ik kan gemakkelijker mijn ding doen,
want bands zijn helemaal niet zenuwachtig. Voor hen ben ik maar een kleine
garnaal. Als ze hier in Vlaanderen een interview doen, komen ze om
zich te amuseren, om lekker te eten en een goed biertje te drinken. Toch
weten ze mijn werk vaak wel te waarderen. Neil Finn (frontman van
Crowded House) bijvoorbeeld, die had zijn management speciaal ingeseind
dat ze achter mijn foto’s aan moesten. Dat flatteert me enorm, want
de grote namen doen fotoshoots aan de lopende band en kunnen bij eender
wie terecht.
Streamer:
Ik ben een kleine garnaal voor de grote buitenlandse groepen. Maar ik
hou wel van die underdogpositie.
Titel: Geluk
bestaat niet, kansen wel
Je
hebt al veel grote namen op je palmares, maar zijn er artiesten die je
absoluut nog eens voor je lens wil zien verschijnen? En kan dat, als Belg?
Ik ben geen
plannenmaker, ik heb er altijd alleen voor gezorgd dat ik met mijn ogen
open door het leven ging. Geluk bestaat niet, maar kansen
wel. Die moet je herkennen, weten dat het moment daar is en dat je er
klaar voor bent. Ik heb natuurlijk wel wat namen in mijn hoofd, maar een
echte ambitie is dat niet.
Het buitenland
lijdt onder een geweldig chauvinisme, en tenzij je er jarenlang woont
zoals Anton Corbijn of Eva Vermandel kan je het vergeten.
Maar dat doet er voor mij niet toe, als ik ervan kan leven en af en toe
iets kan publiceren in het buitenland ben ik tevreden. Als ik beelden
van
artiesten zie die ik gemaakt heb, opgehangen in posterformaat in een studentenkamer
voel ik me al geflatteerd. (lacht)
Je
bent heel veel onderweg, op uren dat andere mensen al lang onder de wol
liggen, soms in erbarmelijke omstandigheden. Word je het leven
van een rockfotograaf nooit moe?
Helemaal
niet! Ik ben graag on the road. En of het nu muzikanten, circusartiesten,
vrachtwagenchauffeurs of zigeuners zijn, ik hou van mensen
die ook onderweg zijn. Een ideale dag is er een waar ik veertien uur van
huis weg ben voor een shoot van vijf minuten. Zo krijg ik ook de kans
om urenlang naar muziek te luisteren. Elke plaat krijgt zo zijn eigen
herinneringen, want je koppelt dat toch altijd aan een bepaald gevoel,
een
bepaalde fase waar je doormoet, een belangrijk moment. Mijn leven is eigenlijk
een soundtrack.
Streamer:
Ik ben best een sociale mens, maar ik hou wel van het eenzame in mijn
beroep. Alleen op de baan zitten, alleen nieuwe mensen te
leren kennen, onderweg zijn. Geef mij maar een opdracht waarvoor ik tien
uur moet rijden en vijf minuten mag fotograferen.
Bij mijn
projecten vind ik het belangrijk dat het niet een fotoboek voor fotokenners
wordt, maar dat het breder gaat en mensen ook om andere
redenen kan boeien. Dat werkte bij Heroes ook goed, iemand koopt dat voor
de foto’s, iemand anders voor de groepen die erin staan, nog
iemand anders om te kijken wie nu precies de helden zijn van onze Belgische
artiesten. Ik ben wel volop bezig met een nieuw project, maar tot
ik een uitgever heb gevonden, kan ik er niet meer over vertellen.
Welke
goede raad zou je geven aan beginnende fotografen?
Wat ze mij
vroeger zeiden op school: koop een grote vuilbak, die heb je het meeste
nodig.
Heel selectief
te werk gaan is echt de boodschap. Op websites zie je soms 100 foto’s
staan van een concert. Ik vraag me vaak af wie daar iets
aan heeft. Fotograferen is kiezen en streng zijn voor jezelf. Een tweede
goede raad is dat alles draait om detail. Zeker in concertfotografie,
want
wie zit er te wachten op een beeld van een podium in de verte met een
mannetje erop. Je moet dus zoeken, kijken, weten welk beeld je wil. Je
moet je ook goed kunnen inleven in de wereld van de opdrachtgever. Je
werk moet zich aanpassen al naargelang het publiek, het draait niet om
jezelf.
Voel
je de druk stijgen naarmate je ouder en bekender wordt?
Je bent natuurlijk
maar zo goed als je laatste foto, dat is in elk beroep zo. De drukt blijft,
maar je gaat er op een andere manier mee om.
Ervaring noemen ze dat, geloof ik (lacht).
Maar dat
is het mooie van mijn job, en het past ook bij mijn karakter: het ene
moment kan je scoren, het andere moment niet. Eender hoe
begin ik de volgende dag opnieuw en sta ik op met het idee dat vandaag
een mooie dag is, en ik een mooie foto ga maken.
De naam “rockfotograaf”
werkt voor en tegen je. Het is zo gemakkelijk om het werk van een ander
af te breken, ik heb mij er vroeger zelf ook
schuldig aan gemaakt. Maar je weet nooit wat de omstandigheden waren,
wie de selectie van de foto heeft gedaan, waarom de afdruk niet
beter kon. Daarom zijn mijn lievelingsbeelden ook vaak niet dezelfde als
die van mijn publiek: ze kennen het hele verhaal niet.
Wat
wil je achterlaten voor het nageslacht?
Binnen honderd
jaar wordt er over mij echt niet meer gesproken hoor! Misschien zal er
nog wat werk van mijn circuleren, gewoon omdat het
een beeld geeft van een bepaald tijdsgewricht, maar meer niet. Ik herinner
me bijvoorbeeld een foto van Tom Barman en Stef Kamil Carlens die
op Torhout hand in hand staan in 96 dat beeld is gewoon een tijdsdocument.
(FOTO)
(nvdr. Vanhee
begint enthousiast te bladeren door zijn eigen werk)
Van Iggy
Pop heb ik ook zo’n beeld, die gast heeft zoveel power in zich,
dat is echt tof om te fotograferen, dat vergeet ik nooit meer. (FOTO)
Met deze
foto van Robbie Williams ben ik ook heel blij. Het is persoonlijk mijn
ding niet, maar het is de grootste entertainer die ik al gezien heb.
Deze foto is gemaakt tussen 60.000 en 80.000 man op de Heizel, en hij
kijkt op zon intense manier in de lens! We staan op anderhalve meter
van elkaar tussen al dat volk en dat heeft toch iets warm, rustig en intiem,
prachtig! (FOTO)
Jamie McCullum
kon ook niet beter. Ik was laat op dat concert, een beetje gestresseerd
en ik stond boven op het balkon. Ineens klimt hij op
zijn piano en springt hij daaraf, en op dat moment was ik in the right
place at the right time. (FOTO)
Deze van
Colplay is ook zo een favoriet. Het is een groep die er live altijd voor
gaat en dat kan ik wel waarderen. Hij zit aan zijn piano te spelen
en er valt zo net een druppeltje zweet van zijn neus op zijn toetsen,
en dat druppeltje heb ik. Dat is wat ik al zei, detail is alles in de
fotografie.
(FOTO)
Achter het
zwart-wit portret van David Byrne schuilt ook een heel verhaal. Ik had
hem op een stoel gezet, maar hij gedroeg zich stroef en
gespannen. Ik had erg weinig tijd en moest snel iets bedenken om hem los
te krijgen. Ik zag een wasmand met drank in de backstage staan
en vroeg hem om erin te gaan zitten. Hij zag er meteen de humor van in
en kreeg een grijns op zijn gezicht. De spanning was gebroken en ik
heb er een hele leuke foto aan overgehouden. (FOTO)
Veel artiesten
fotograferen zelf ook en Bill Wyman van de Stones is geen uitzondering.
Hij keek
direct naar mijn fototoestel en begon honderduit te vertellen over allerlei
fantastische toestellen, Hasselblads enzo die hij in huis had.
Die mannen hebben geld genoeg hé. Maar ik had maar tien minuten
en ik hoorde de seconden wegtikken in mijn hoofd. Ik heb hem dus echt
moeten onderbreken. Heb je met de Stones gesproken, vragen mensen dan.
Ja hoor, ik heb hem gezegd dat hij z’n mond moest houden. (lacht)
Er is geen tijd voor social talk, we doen allemaal onze job. Hij poseert,
ik fotografeer. (FOTO)
BOX:
De
evolutie van een band
“Een
groep is altijd in evolutie. Op een eerste fotoshoot zijn het vaak jonge
broekjes. Ze zijn niets gewoon, weten al helemaal niet hoe ze zich
een houding moeten geven voor de camera.. Als ik ze een tweede keer voor
de lens krijg, worden ze meestal al zwaar gehyped. Ze zijn aan
het zweven, zitten aan de drugs, volgen een hectisch tourschema, kortom,
ze zijn niet te harden.
Tegen dat
ik ze een derde keer zie, hebben ze alles al gezien en weten ze dat ze
gewoon komen poseren om hun plaat te promoten. Ze
beseffen dat ze moeten meewerken als ze willen dat ze goed op de foto
staan, ze zijn clean en ineens is al dat gedoe gewoon werk geworden.”
BOX:
Korte
bio
Alex Vanhee
(1965, Poperinge) wou oorspronkelijk gaan studeren aan de Filmschool.
Omdat daar van thuis uit geen geld voor was, startte hij
een opleiding tot grafische vormgever aan het Higro in Gent. Hij gaat
aan de slag als vormgever in de publiciteitssector en volgt daarnaast
een opleiding Fotografie aan Sint-Lucas in Gent. 5 jaar later stapt hij
met zijn foto’s binnen bij de krant De Morgen, die hem onmiddellijk
inschakelt om foto’s te maken bij interviews van muziekgroepen.
Na een tijdje wordt de combinatie te zwaar en stopt hij als vormgever
om
zich volledig op de fotografie te kunnen toeleggen. Sindsdien werkt hij
als freelance fotograaf voor verschillende binnen- en buitenlandse
kranten en magazines. Hij is gekend bij de platenfirma’s en Belgische
groepen nemen zijn foto’s mee als ze toeren in het buitenland.
Of er aan
hem nu een grote regisseur verloren is gegaan? “Ach nee,”
zegt hij, “het klonk allemaal goed maar achteraf gezien zou ik nooit
hebben kunnen samenwerken in de grote teams die gebruikelijk zijn bij
een filmploeg. Ik heb geen spijt."
Popfotograaf
Alex Vanhee laat in zijn eerste boek belgische rocksterren hun 'heroes'
huldigen.
door
Bart Steenhaut
publicatiedatum
: De Morgen 18-09-2004
'Twijfel
is de enige constante'
Iedere popjournalist is jaloers op Alex Vanhee. Als rockfotograaf krijgt
hij namelijk op 1/125ste seconde gezegd wat een recensent vaak
duizenden lettertekens kost. Zijn beelden verschenen de voorbije twaalf
jaar haast dagelijks op de cultuurpagina's van De Morgen en prijken
ook alsmaar vaker op platenhoezen. Voor zijn eerste boek, Heroes, werkte
hij samen met 36 Belgische rocksterren. 'Het is geen toeval dat ik
fotograaf geworden ben.'
Brussel
Eigen berichtgeving
Bart Steenhaut
Als je Alex Vanhee (39) tijdens een optreden voor het podium ziet staan,
valt het op hoe weinig hij fotografeert. Waar het merendeel van zijn
collega's onophoudelijk in het wilde weg flitsen, kijkt hij eerst naar
wat er te zien is. Hij zoekt naar tics, een typische houding en slaat
dan,
ongemerkt haast, toe. Zijn lichtjes voorovergebogen profiel is voor het
podium evenmin weg te denken als de security. Zijn foto's halen
regelmatig de internationale media - surf naar www.alexvanhee.be en u
begrijpt waarom - en schitteren op platenhoezen van, om maar de
meest in het oog springende te noemen, Chris Whitley, Willem Vermandere,
Bram Vermeulen, Laïs en Gene Thomas.
Nu is er dus Heroes, waarvoor hij 36 Vlaamse popsterren tekst en uitleg
liet geven bij foto's van hun helden. "Het belangrijkste was dat
ze
over hun favoriete muzikant ook iets op papier kregen", legt Vanhee
uit. "Dat bleek lang niet altijd even evident. Tom Barman heeft om
die
reden
het boek bijvoorbeeld niet gehaald. Hij had te veel andere dingen aan
zijn hoofd, zat midden in de opnamen van de nieuwe dEUS en had
volgens mij wat last van de druk die daarmee gepaard ging. En als je Patrick
Riguelle op café tegenkomt, heeft hij altijd voor op zijn minst
een
uur aan straffe verhalen bij. Hij kent zoveel anekdotes, heeft al met
zoveel mensen samengewerkt dat hij alles van iedereen weet. Maar als je
hem de vrijheid geeft om op een blad papier een verhaal te vertellen,
blokkeert hij. Dat herken ik ook bij mezelf. Als ik vroeger iets op papier
moest zetten, kreeg ik er ook nooit een lijn op. (lacht) Het is geen toeval
dat ik fotograaf geworden ben."
Waren er ook muzikanten die de vrijheid om hun zin te doen als een godsgeschenk
ervoeren?
"Absoluut. Willem Vermandere was bijvoorbeeld heel content om zijn
verhaal te kunnen vertellen zonder journalist erbij. Mijns inziens heb
je
twee soorten muzikanten: de vertellers en degene die veel beperkter werken.
Arno heeft voor het boek bijvoorbeeld maar vier regeltjes
geschreven, maar daar zit wel de essentie van het Arno-zijn in vervat.
Hij wilde ook niet zien wat de anderen gemaakt hadden. Dat is typisch
voor de groten, denk ik: die creëren op die pagina hun eigen eilandje.
Bart Peeters heeft twee dagen van zijn vakantie opgeofferd om een
tekening te maken. Hij heeft echt moeite gedaan.
"De verscheidenheid van al die artiesten, dat vind ik het mooiste
aan het boek. Roland heeft zijn ding in een paar minuten gemaakt, heel
impulsief. Eén blik op dat blad en je krijgt meteen een idee van
hoe die artiesten muziek maken, zelfs als je hun platen niet kent. Soms
lag
wat ze deden voor de hand. Ik wist bijvoorbeeld haast zeker dat Jasper
Steverlinck voor Jeff Buckley zou gaan. Anderen hebben me dan weer
verrast. Ik had bijvoorbeeld nooit gedacht dat Sarah Bettens voor Tina
Turner zou gaan. Bob Dylan was ook erg populair. Ik had aan elke
artiest een lijstje van zijn favoriete artiesten gevraagd. Dylan kwam
in drie vierde van de lijstjes voor."
Heb je de artiesten waarmee je hebt samengewerkt op een andere manier
leren kennen?
"Ik ben vooral heel kleine dingen te weten gekomen. Als je bij die
sterren thuis komt, staat er bijvoorbeeld nooit muziek op. Dat was echt
opvallend. Blijkbaar kunnen ze geen plaat als achtergrond opzetten. Als
ze een cd draaien, is dat echt om naar te luisteren. Bij mij is dat heel
anders. ik luister bij wijze van spreken 24 uur per dag naar muziek."
Is popfotografie een moeilijk vak?
"Fotograferen is vooral keuzes maken. In het gewone leven kan ik
dat niet, maar in mijn job kan ik niet anders. Dat maakt het net zo boeiend,
vind ik. Vergelijk het met een journalist die een halfuur krijgt om een
interview te doen. Ik pik uit dat hele gesprek één zinnetje,
en bouw
daarrond mijn foto op. Doorgaans komt er toch maar één beeld
bij het artikel."
Je hebt net Willy DeVille gefotografeerd. Hoe bereid je je voor op zo'n
sessie?
"Het internet is een enorme hulp. Ik ben een kijkje gaan nemen op
zijn website om na te gaan hoe DeVille er tegenwoordig uitziet en waar
hij
momenteel mee bezig is. Vroeger zat ik dan in de auto na te denken over
welk soort foto's ik zou maken, maar dat doe ik nu niet meer.
"Tegenwoordig ben ik een halfuur op voorhand ter plaatse, zoek ik
een geschikte locatie en kijk ik eens hoe ze gekleed zijn. Ik had hem
in
hetzelfde zwarte pak verwacht dat hij intussen al twintig jaar draagt,
maar plots stond hij op sloffen en in een foute indianenvest voor mijn
neus. Dan komt het er op aan te improviseren."
Wat voor contact heb je met die artiesten?
"Dat is heel kort. Doorgaans krijg ik maar vijf of tien minuten.
Dus zeg ik vriendelijk goeiedag en leg ik in een paar woorden uit wat
ik voor ogen
heb. Ik knoop nooit een gesprek aan. Als Bill Wyman begint te lullen over
mijn camera omdat hij zelf ook fotografeert, is hij bijvoorbeeld
vertrokken. Dan moet ik hem onderbreken omdat de tijd wegtikt. (lacht)
Het is niet altijd gemakkelijk in dit vak."
Maakt het voor jou verschil of je Belgische of internationale artiesten
voor je lens krijgt?
"Ik ben veel zenuwachtiger als ik Belgen moet fotograferen. De meesten
beweren wel dat ze niet volgen wat er over hen verschijnt maar,
geloof me, ze houden heel goed in de gaten wat er gepubliceerd wordt.
Daar hou ik onbewust toch rekening mee. Muzikanten zijn bovendien
enorm ijdel. Het is dus belangrijk dat ze goed op de foto staan. Arno
is de moeilijkste. Die raakt ontzettend snel verveeld, dus bij hem komt
het
er op aan om heel vlug te werken. Tom Barman heeft dat ook. Die gaat ervan
uit dat ik in twee minuten klaar ben, maar hij verwacht wel een
goed beeld achteraf.
"Ik ken geen enkele artiest die graag gefotografeerd wordt. Ik snap
dat ook wel, hoor. Met een foto kun je ongelooflijk liegen. Tijdens zo'n
sessie druk ik honderd keer af, maar uiteindelijk wordt er één
beeld gebruikt. In 1/125ste seconde kun je iemand maken of kraken."
Hoe bepaal je dan welk beeld je uit die honderd selecteert?
(denkt lang na) "Ik kan daarop een standaardantwoordje aframmelen:
de cadrage, het licht, het moment... Allemaal clichés, maar er
zit veel
waarheid in. Je hebt me onlangs zelf gezegd dat de beste foto's gemaakt
worden op het moment dat een artiest op het hoogtepunt van zijn
kunnen staat. Daar heb ik achteraf lang over nagedacht. En dat klopt wel,
denk ik. Op dat moment staan ze in het middelpunt van de
belangstelling, en dan stralen ze dat ook uit. De sleutel voor een goeie
foto is dus dat de artiest iets uitstraalt. Ik ben geen starfucker, maar
ik
wil toch dat ze er op hun voordeligst opstaan."
Wil dat zeggen dat je achteraf soms foto's manipuleert?
"Dat gebeurt. Als Sarah Bettens met flaporen op de foto staat, retoucheer
ik dat beeld tot ze er wel goed uitziet. Ik heb Arno al een paar keer
gefotografeerd nadat hij maar drie uur geslapen had. Als hij dan de nacht
voordien op de lappen is geweest, ziet hij er de ochtend nadien echt
oud uit. Dat zal hij zelf ook wel weten. De eerste keer heb ik de wallen
onder zijn ogen weggewerkt, de tweede keer niet. Dat is het voordeel
van de digitale fotografie. Vroeger, toen ik nog op negatief werkte, zou
ik hen in profiel gefotografeerd hebben, of met tegenlicht. Nu portretteer
ik hen frontaal en werk ik achteraf het ergste weg."
Ben je de popfotografie wel eens beu?
"Neen. Het is wel niet onbelangrijk dat je affiniteit hebt met je
onderwerp. Als je niet van muziek houdt, word je geen popfotograaf. Zo
simpel is
dat. Een muzikant leert spelen door anderen na te doen, en pas nadien
zoekt hij een eigen weg. Zo gaat het ook in de fotografie. Ik ben
opgegroeid in de jaren tachtig. Toen had je bladen als NME, The Face en
Oor. Die hebben, of ik dat nu wil of niet, toch een invloed gehad op
wat ik zelf doe. Ik heb ook altijd ontkend dat ik iets met Anton Corbijn
had, maar als ik nu naar zijn vroegste werk kijk, kan ik niet anders dan
zeggen dat we een grafische, tamelijk minimalistische stijl hebben. Hij
is zeer erg beïnvloed door de Britse fotograaf Bill Brandt, iemand
die ik zelf
ook als mijn grote voorbeeld beschouw."
Wie wil je nooit nog fotograferen?
"Niemand. Ik heb onlangs wel een sessie met Tony Joe White gedaan,
en dat was echt een klootzak. Verschrikkelijk arrogant. Maar als ik hem
morgen opnieuw kan fotograferen, zal ik dat doen. Het is gewoon de drang
om het definitieve beeld te maken. Ik ben ook nooit tevreden als ik
na een sessie weer in de auto stap. Na al die jaren is twijfel nog steeds
de enige constante."
Wat is voor jou de grootse omwenteling geweest in twaalf jaar popfotografie
voor De Morgen?
"Zonder twijfel: De overschakeling van zwart/wit naar kleur. Die
omwenteling vond ik veel ingrijpender dan de evolutie van analoog naar
digitaal.
Dat is het verschil tussen anders fotograferen of anders leren kijken.
En eerlijk gezegd: na acht jaar was ik wel wat uitgekeken op zwart/wit.
Je moet trouwens een veel beter fotograaf zijn om in kleur overeind te
blijven, want je beeld wordt heel snel een warboel. Een artiest die in
een
geel hemd tegen een roze achtergrond gaat staan is op zwart/wit geen probleem.
Die schreeuwerige combinatie wordt gewoon tot verschillende grijstinten
gereduceerd. In kleur vloekt die combinatie. Dat maakt het oneindig veel
moeilijker."
De muziekwereld is de laatste jaren steeds nadrukkelijker een bikkelharde
business geworden. Belemmert dat je vrijheid als fotograaf?
"Twintig jaar geleden mocht je een volledig concert fotograferen,
nu is het zover gekomen dat je bij Britney Spears drie keer dertig seconden
krijgt. Amerikaanse artiesten leggen je zodanig veel onnozele beperkingen
op, dat ik ervan overtuigd ben dat mijn job over een jaar of vijf
compleet overbodig zal zijn. Er zijn nu al artiesten die geen fotografen
meer toelaten. Maar ik wil niet klagen. Wat ik als fotograaf voor een
krant in een klein land als België kan doen, grenst aan het ongelofelijke.
Daar kunnen veel grotere concurrenten eigenlijk alleen maar van dromen.
Een krant is ook veel vluchtiger dan een glossy magazine. Je beeld moet
dus veel directer zijn, moet meteen aanslaan. En als dat lukt, ja... daar
krijg ik toch nog steeds een enorme kick van."
'Ik heb nooit
veel tijd, dus praten met de sterren is tijdverlies. Als Bill Wyman, zelf
ook fotograaf, over mijn camera begint te lullen, breek ik het
gesprek af'
'Fotograferen
is liegen’
Wie weleens een concertzaal aandoet, heeft ongetwijfeld al tegen de woelige
kruin van Alex Vanhee
aangekeken. Minstens zes dagen op zeven bivakkeert hij – camera
in de aanslag – voor de grootste podia
van België om er de nimmer aflatende stroom van nationale en internationale
rocksterren op de gevoelige
plaat vast te leggen. Tel daarbij de zomerfestivals en Alex Vanhee ziet
jaarlijks meer concerten dan er dagen
zijn.
Vincent
Byloo copyright 2006
De foto’s
van Alex Vanhee vallen nog nauwelijks weg te denken van de cultuurpagina’s
van De Morgen. Niet alleen doet hij als concertfotograaf
impliciet aan geschiedschrijving, ook zijn portretten van grote en kleine
rocksterren geven een redelijk exhaustief beeld van de muzikale karavaan
die het voorbije anderhalf decennium door ons land getrokken is. Daarnaast
is de naar Gent uitgeweken West-Vlaming een occasionele ontwerper
van platenhoezen, maar bovenal ook aangenaam gezelschap. Hoewel, woorden
als kiekje, prentje of andere geringschattende diminutieven trekken
zijn gelaat in een gedegouteerde plooi, alsof hij net stront heeft geproefd.
“Eigenlijk was film mijn eerste passie,” bekent Vanhee. “Het
was dus mijn bedoeling om na het college die richting uit te gaan. Alleen
bleek zo’n
opleiding veel te duur voor mijn ouders. Een leider bij mijn plaatselijke
scoutsvereniging heeft me toen de richting Grafische Vormgeving aangeraden.
Ik ben eens gaan uitzoeken wat dat precies inhield en het leek me alles
bij elkaar toch the next best thing. Die opleiding bleek ook uit enkele
uren fotografie te bestaan. Toen pas is mijn interesse voor fotografie
ontstaan.”
Was
jouw leven in die dagen ook al zo doordrongen van muziek?
Alex Vanhee: “Dat kan je wel zeggen. Ik had toen al mijn punkperiode
achter de rug – ik was er zo een die op z’n veertiende met
een jeansvestje
vol buttons rondliep – en ook de new wave had ik met veel plezier
beleefd. Rond die tijd ontdekte ik ook nog eens Frank Zappa en TC Matic,
die me helemáál verslaafd maakten aan muziek. Ik heb TC
Matic tientallen keren live gezien, ik was wat je noemt een die hardfan.
Halverwege mijn
opleiding ben ik tijdens die vele concerten waar ik naartoe trok beginnen
fotograferen.
Na die opleiding Grafische Vormgeving heb ik dan maar doorgeleerd in de
fotografie. Als eindwerk moesten we een soort fotodagboek maken. Kort
gezegd kwam het erop neer dat we iemand een paar dagen lang volgden om
er een dagboek van foto’s uit te distilleren. Ik heb toen gekozen
voor,
hou je vast… (met pretoogjes) Salim Seghers. Pas op, dat was echt
wel iemand die mij intrigeerde: een leraar die ’s avonds en in de
weekends
schlagers ging zingen in parochiezaaltjes. Daar zat wel een verhaal in,
dacht ik. En dat bleek ook het geval. Die gast woonde in een kast van
een
villa ergens in Limburg. ’s Middags ging hij bij de mama thuis eten,
in de namiddag gaf hij les en ’s avonds vertrok hij dan naar pakweg
Geraardsbergen waar, net voor hij op moest, een lokale charmezanger Julio
Iglesias stond te zingen.” (lacht)
Heb
je na die opleiding makkelijk de overstap gemaakt naar de arbeidsmarkt?
“Wel, ik ben nog een tijdje blijven rondhangen in dat milieu van
charmezangers. Begin jaren negentig begon VTM immers met de Soundmixshow,
wat me een onuitputtelijke voorraad van dat soort figuren opleverde. Ik
heb toen een hoop soundmixers laten optreden in typische Vlaamse
woonkamers. Ik mat ze een kostuum aan en plaatste ze achter een microfoonstandaard.
Dat gaf een mooi contrast: de ‘popster’ in de huiselijke omgeving
van de woonkamer.
Met die fotoreportage ben ik naar De Morgen gestapt en ze hebben die meteen
gepubliceerd in een bijlage die je nu met Zeno zou kunnen
vergelijken. Het toeval wilde dat de krant toen op zoek was naar iemand
die concertfoto’s kon leveren. Patrick De Spiegelaere had immers
net
ontslag genomen en Filip Claus zag dat soort fotografie niet zitten. Mijn
eerste opdracht was Rock Werchter: ze waren tevreden en ik mocht
blijven.”
Ik geloof
niet dat er toen in De Morgen al zoveel plaats werd ingeruimd voor muziek
als nu.
“Nee, bijlange niet. Er verschenen toen maximaal twee, drie interviews
per week. En er waren natuurlijk ook veel minder concerten dan nu.”
Van
je freelance werk voor De Morgen alleen kon je dus niet leven?
“Nee, ik combineerde mijn opdrachten voor De Morgen met een job
als grafisch vormgever. ’s Avonds ging ik tijdens een concert beelden
maken,
’s nachts ontwikkelde ik die - we spreken nog over het zwart-wittijdperk
-, de volgende ochtend ging ik gaan werken en tijdens mijn middagpauze
reed ik over en weer naar Brussel om mijn zwart-witprintjes af te geven
op de redactie.
In die tijd was er nog geen sprake van een fotoredactie, dus in overleg
met de journalist koos ik het beeld dat bij zijn artikel zou gebruikt
worden.
Dan ging die foto naar de scanning operator, om nadien gelayout te worden.
In retrospect toch een zeer omslachtige manier van werken, hé?”
Ik
neem aan dat de digitale revolutie daar grondig verandering in heeft gebracht?
“Reken maar. Nu hoef ik mijn beelden niet meer te ontwikkelen, ik
laad ze gewoon in op mijn computer. Ik retoucheer ze hier en daar, breng
de contrasten in balans en met een druk op de knop stuur ik ze in hoge
resolutie door naar de redactie. Ik vond de switch van zwart/wit naar
kleuren
een veel minder evidente aanpassing. Jarenlang had ik – net als
mijn krant, overigens – gezworen bij zwart/wit. Ik dacht bij wijze
van spreken in zwart/wit, en plots moest ik mijn manier van fotograferen
helemaal omgooien. Ik heb het daar jaren moeilijk mee gehad, want zwart/wit
en kleur,
dat zijn twee totaal verschillende werelden.”
Wat
waren in die begindagen jouw grote invloeden?
“Ik wilde als beginnend fotograaf van geen invloeden weten. Ik dacht
dat ik het allemaal zelf wel zou heruitvinden. Maar dat is een belachelijke
gedachte. Uiteraard ben ik beïnvloed door de beelden van Oor en vooral
het Britse blad The Face. De eerste foto die ik ooit heb gekocht, was
er
een van William Klein, een fotograaf die een jaar lang door Amerika is
getrokken. Van hem heb ik veel opgestoken over fotoreportages. Voor
portretten heb ik vooral veel van Bill Brandt geleerd. Hij werkte heel
erg grafisch, maakte graag gebruik van diagonale lijnen en symmetrie.
Dat zijn
zaken waar ik zelf ook naar op zoek ga bij het maken van portretten. Voorts
hou ik het graag simpel en direct, zonder te veel rommel. Fotograferen
is: durven kiezen en vooral dingen weglaten.”
Over
kiezen gesproken. Ik vind jou, zeker tijdens concerten, een erg zuinige
fotograaf.
(lacht) “Dat vind ik een compliment. Ik zie het tegenovergestelde
weleens bij jonge fotografen. Ze plakken van bij het begin van het optreden
tegen het podium en beginnen als een wilde in het rond te schieten. Zo
mis je enorm veel, er gaat heel wat aan je voorbij terwijl je als een
gek
staat af te drukken. Dat ik dat niet doe, heeft natuurlijk ook met ervaring
te maken. Ik heb een hoop artiesten al meer dan twee, drie keer gezien.
Ik kan dus beter van te voren inschatten waar ik precies moet gaan staan
om de beste foto’s te maken. Ik weet bijvoorbeeld dat de ene gitarist
voortdurend naar zijn linkerhand kijkt, terwijl de andere veeleer de ritmesectie
rechts op het podium in het oog houdt. Muzikanten hebben ook zo
hun karakteristieke poses. Soms vergroot ik die uit, maar vaak prikkelt
me dat net om op zoek te gaan naar een minder voor de hand liggend beeld.
Wat me nog opvalt aan beginnende fotografen tijdens concerten: als de
groep wat luider gaat spelen of ineens een heel bekend nummer speelt,
beginnen ze als in een reactie nóg gretiger af te drukken. Zo werkt
het natuurlijk niet. Wie een foto in de krant ziet, hoort daar uiteraard
geen
muziek bij. Ik luister vaak niet eens naar de muziek tijdens een concert
omdat al mijn aandacht gaat naar het beeld. Er kan bij wijze van spreken
een bom ontploffen achteraan in de zaal, ik zal het niet gehoord hebben.”
(lacht)
Concertfotografie
wordt hoe langer hoe meer ontmoedigd, heb ik de indruk.
“Er wordt door platenfirma’s en concertorganisatoren steeds
vaker moeilijk over gedaan, dat is waar. Op festivals mag je bijvoorbeeld
doorgaans
maar de eerste drie nummers van een set fotograferen. En binnenkort geldt
die drie-nummers-regel niet alleen op festivals, tijdens zaalconcerten
zal ze ook worden toegepast. Ronduit jammer vind ik dat, want ik blijf
graag tot het einde van het concert omdat ik anders het gevoel heb dat
ik
iets kan missen. Trouwens, bij de grote Amerikaanse groepen is het meer
en meer de trend dat fotografen hun beelden moeten maken ter hoogte
van de mengtafel in plaats van voor het podium. Dat beperkt je mogelijkheden
enorm. Dicht tegen het podium kan je verschillende lenzen kiezen.
Je kan voor een close-up kiezen, maar je kan met een breedhoek ook nog
iemand meenemen op de achtergrond. Je kan spelen met een spot, de
kleur van een spot… noem maar op. Maar als je achteraan in het Sportpaleis
staat te fotograferen, vallen al die mogelijkheden weg. Op die manier
zitten de fotografen opgescheept met allemaal dezelfde of toch gelijkaardige
beelden. Je kan simpelweg geen verschil meer maken. Die trend schrikt
me wel een beetje af. En het wordt nog erger. Bij Belgische of iets kleinere
internationale groepen is dat het geval niet, maar de echt grote namen
willen zich zelfs niet meer laten fotograferen tijdens concerten. Bij
Bob Dylan is dat al tien jaar zo. De kranten zijn dan aangewezen op de
livefoto’s
die de platenfirma aanbiedt. Zij laten tijdens een optreden in Amerika
door een of ander persagentschap foto’s maken, ze kiezen er twee
uit – een staande en een liggende – en daarmee moet je het
dan maar doen. Nu, ik lééf gelukkig niet van die grote groepen,
maar eerder van alternatieve
bands en de populaire subtop. En toch maak ik mij daar een beetje zorgen
over.”
Jij
hebt voor je foto’s gelukkig ook nog andere afnemers dan De Morgen.
“Ja, nog een chance. Ik loop niet te leuren met mijn foto’s,
maar blijkbaar komen ze onrechtstreeks toch al eens in de handen van platenfirma’s
die erin geïnteresseerd geraken. Dan vragen ze me om de foto te mogen
gebruiken als promomateriaal, of voor een cd-hoesje of –boekje.
Met
Daniel Lanois bleek het bijvoorbeeld zo goed te klikken, dat hij me zelf
vroeg om portretten te maken voor de promocampagne van zijn nieuwe cd.
En het label van Iggy Pop heeft foto’s van mij gebruikt voor het
artwork van zijn laatste dvd. Zo zijn er nog wel groepen die me inhuren
voor het ontwerp van hun platenhoezen. Dat is een leuke bijverdienste,
al doe ik het alleen voor artiesten waar ik sympathie voor voel en op
voorwaarde
dat de platenfirma er zich niet teveel mee bemoeit. Zij willen immers
vooral een beeld waarmee ze hun ‘product’ commercieel interessant
kunnen
maken. Daar pas ik voor.
Ik probeer sowieso geen opdrachten aan te nemen waar ik niet voor de volle
honderd procent kan achter staan. Ik heb nog een tijdje gewerkt
voor een reclamebureau. Ik herinner me dat ze op een gegeven moment een
foldertje wilden ontwerpen voor Jan Bardi. Daarvoor tekenden ze dan
een format uit, inclusief schetsen voor de foto’s die in het foldertje
terecht zouden komen. Bij dat soort slaafs uitvoerend werk blokkeer ik
volledig.”
Hoe
bereid jij je voor op de persoonlijke fotosessies met kleine en grote
sterren?
“Vroeger dacht ik in de auto altijd een concept uit op weg naar
een fotosessie. Ik wist vaak heel precies welk beeld ik op het oog had
en ik
voerde mijn plan uit naar het voorbeeld dat in mijn hoofd was ontstaan.
Nu ga ik veel minder beredeneerd te werk en laat ik het toeval een grotere
rol spelen. Ik improviseer meer volgens de plaats, de lichtinval, een
toevallige passant. Zo kom je soms op een beeld uit waar je van te voren
misschien nooit aan had gedacht.”
Hoe
ijdel is de rockmuzikant?
“Heel ijdel. Wie op een podium kruipt moet nu eenmaal ijdel zijn.
Ik zou het in ieder geval niet durven, ik sta liever achter de lens. De
echt Grote
Namen zijn het natuurlijk gewoon om gefotografeerd te worden. Ook al beweren
ze dat ze niet graag poseren, ze trachten heel vaak een beeld te forceren
door bepaalde houdingen aan te nemen. Er lopen dus heel wat ijdeltuiten
rond in het wereldje, al moet je die ego’s nu ook weer niet overschatten.
Een goed voorbeeld is Arno, die op een niet-ijdele manier tóch
met zijn imago begaan is. Hij laat zich eigenlijk niet graag fotograferen,
maar omdat
ik hem in de loop der jaren redelijk goed heb leren kennen, staat hij
mij al eens gemakkelijker een photoshoot toe. Hij wil de foto’s
achteraf altijd
zelf bekijken en inspraak hebben in de uiteindelijke keuze. Wat me wel
voor hem inneemt is dat hij altijd kiest voor het mooiste beeld, ook al
is dat
niet meteen de meest flatterende foto.
Ik heb nog een tijdje voor Knack en Bonanza gewerkt, waardoor ik de BV-wereld
een beetje heb leren kennen. Het viel me op dat de ijdelheid bij
BV’s doorgaans groter is dan bij rocksterren, vooral tv-omroepsters
steken er met kop en schouders bovenuit. Ik begrijp dat ook wel. Voor
een
muzikant is zijn présence niet onbelangrijk, maar in de televisiewereld
draait álles om het uiterlijk.”
We
leven tenslotte in een beeldcultuur.
“Daar zeg je zoiets. (windt zich op) Iedereen heeft altijd de mond
vol over die beeldcultuur, maar me dunkt kunnen niet veel mensen echt
een
beeld lezen. Kijk, een van de eerste dingen die we leren op school, is
lezen – namelijk het herkennen van letters naar hun vorm –
maar beelden
lezen, dat wordt ons niet aangeleerd. Ik heb dat altijd vreemd gevonden.
Iedereen weet dat een woord verschillende betekenissen en zelfs
verschillende connotaties kan oproepen, maar een beeld blijft voor veel
mensen een beeld, alsof er niet meerdere interpretaties mogelijk zijn.”
Zijn
ze altijd even meegaand, die artiesten?
“Ik lees weleens in Britse muziekbladen dat bepaalde artiesten de
reputatie hebben oninterviewbaar of niet-fotografeerbaar te zijn, maar
ik heb
daar – een paar uitzonderingen niet te na gesproken – nooit
last van gehad. Ik denk dat muziekjournalisten van Britse en Amerikaanse
muziekbladen
zélf met een te groot ego kampen en er daardoor weleens wrevel
ontstaat. Hier bij ons zijn journalisten en fotografen veel bescheidener,
denk ik.
En dat appreciëren de meeste muzikanten wel.
Ik herinner me in dat verband de eerste keer dat ik Frank Black mocht
fotograferen. Niets stond hem aan, geen enkel voorstel was goed genoeg.
Ik hou in zo’n geval wel vol, maar ik begin zeker niet te discussiëren.
Tenslotte vind ik het zijn recht om te weigeren in een bepaalde omgeving
of
situatie te poseren. De laatste twee fotosessies met Frank Black waren
dan weer wél heel aangenaam. Zo zie je maar.”
Van
welke artiesten ben je blij dat je er een foto van hebt kunnen maken?
Het is de foto die mij interesseert, niet de gefotografeerde. Ik ben geen
starfucker. Ik zal nooit een praatje beginnen slaan met de artiest voor
mijn lens. Ik tracht zo’n conversatie te beperken tot de bare necessities.
Ik wijs hen op een mooie lichtinval en vraag vriendelijk of ze zo of zo
willen gaan staan en of ze deze of gene kant willen uitkijken. Aan small
talk hebben die artiesten geen boodschap, die krijgen ze al genoeg van
platenbonzen en opdringerige fans.
Er zijn natuurlijk foto’s waar ik mettertijd veel waarde aan ben
beginnen hechten. Neem nu die foto die ik heb gemaakt van Tom Barman en
Stef
Kamil Carlens tijdens een dEUS-concert op Pukkelpop enkele jaren geleden.
Aanvankelijk vond ik dat vooral een heel geslaagd beeld vanwege de symmetrie:
ze staan hand in hand en, aangezien de ene links- en de andere rechtshandig
is, lijken de halzen van Toms gitaar en Stefs bas ook
innig in elkaar te haken. Maar in de loop der jaren is die foto een heel
eigen leven gaan leiden vanwege de grote symbolische waarde die hij heeft.
(Carlens stond toen op het punt om dEUS te verlaten, VB)
Maar als je dan toch één naam wilt, moet ik Arno zeggen.
Omdat ik erg trots ben op het materiaal dat ik van hem heb liggen, maar
vooral ook
omdat hij toch mijn grote jeugdheld was. Ik weet nog goed dat ik op mijn
zestiende een keer het podium ben opgesprongen tijdens een
TC Matic-concert om een bis af te dwingen. Arno schuifelde terug het podium
op en zei: ‘Vintje, hi hoat ‘t nog verre bring’n’.
En vijftien jaar
later ben ik zowat de enige Belgische fotograaf die hem zo vaak mag fotograferen.
Daar ben ik toch wel trots op.”
Zijn
er artiesten die je nog dolgraag eens voor je lens zou krijgen?
“Vroeger luidde mijn antwoord op die vraag steevast: Tom Waits.
Maar nu denk ik daar anders over, want die ultieme foto zou wel eens de
grootste afknapper uit mijn carrière kunnen worden. Ik verwijs
maar even naar Herman Selleslaghs van Humo, die ooit de grote Lou Reed
mocht fotograferen. Hij is daarvoor helemaal naar New York gereisd. Toen
hij daar aankwam, werd hij met een nukkige ome Lou geconfronteerd die
hem toestond precies twee keer af te drukken. Twee keer! Op het vliegtuig
terug heeft hij beslist: als het zo moet, dan stop ik er liever mee. Ik
kan
hem daar geen ongelijk in geven, maar voor zo’n scenario wil ik
mij toch behoeden.
Ik kick dus niet op Grote Namen. Kijk, als ik met veel zorg in slechte
omstandigheden toch een mooie foto heb kunnen maken, dan ben ik daar
best fier op. Maar als die foto op postzegelgrootte in de krant terechtkomt
en op de pagina daarnaast prijkt een middelmatige foto van een
Grote Naam, zal geen kat die schitterende foto van mij opmerken. Dat is
best wel frustrerend, geef ik toe.”
Nog
een grote bron van frustratie zijn, zo weet ik intussen, de zogenaamde
détourés.
(grijnst) “Breek mij de bek niet open. Als ik tijd noch moeite spaar
om de compositie van een foto helemaal goed te krijgen en ze knippen er
op
de redactie gewoon het ventje uit, dan is dat echt balen. Het voordeel
van een krant is dat die foto daags nadien al vergeten is. Dat geldt voor
de mooie foto’s, maar gelukkig ook voor de slechte. Dagbladjournalistiek,
het is een vluchtig medium.
Ik heb het daar aanvankelijk moeilijk mee gehad, maar ik ben ook gaandeweg
beginnen begrijpen dat kranten nu eenmaal met heel directe beelden werken.
Jij en ik, wij hebben een gedeelde verantwoordelijkheid. De kop boven
jouw artikel en je inleiding moeten de lezer uitnodigen om je stuk
te lezen. Maar mijn foto moet ook de aandacht trekken, dus ik ben genoodzaakt
om voor erg directe beelden te kiezen. Dat wil niet zeggen dat
een krantenfoto per definitie oppervlakkig moet zijn. Je kan je foto ook
wat mysterieuzer maken met een speling van het licht, waardoor de lezer
geïntrigeerd raakt.
Dat ik voor een krant werk en niet voor een magazine, heeft nog een voordeel.
Ik kan naar één, maximaal twee goeie foto’s toewerken.
Ik heb er
geen vijf nodig, wat bij een magazine wél zo is.”
Ik
vermoed dat je in al die jaren ook de muziekredactie van de krant hebt
zien veranderen?
“Heb zien uitbreiden, vooral. Toen ik in 1992 begon bij De Morgen,
had de krant één muziekredacteur en twee freelancers. Nu
bestaat de
muziekredactie uit twee vaste redacteurs en vier freelancers, de medewerkers
jazz en klassiek niet meegerekend.”
Heb
je nooit overwogen om zelf in de muziekjournalistiek te stappen?
“Nee, dat is niet voor mij weggelegd. Ik kan alleen maar op een
knopje drukken. (lacht) Als ik vroeger op school een opstel moest schrijven,
dan blokkeerde ik volledig. Ik kan het niet, schrijven. En net daarom
heb ik enorm veel bewondering voor mensen die het wel kunnen. Ik ben zelden
aanwezig tijdens een interview – omdat een face-to-face niet voor
niets een face-to-face is – maar als ik dan toch eens een interview
heb
bijgewoond, lees ik altijd met veel ontzag de neerslag daarvan in de krant.
Hoe jullie die kromme zinnen omzetten in ronkende volzinnen en van spreektaal
vlot leesbare schrijftaal maken: ik kan er vaak niet bij. Ik heb van een
compleet chaotisch interview al een ongelooflijk boeiend artikel
gelezen, zonder dat er afbreuk werd gedaan aan de inhoud van het gesprek.
Dat vind ik razend knap.”
En
toch benijd ik jou, want je krijgt vaak meer gezegd met één
beeld dan een journalist in een heel artikel.
“Tja, je kan zoveel zeggen met een foto, hé. Fotograferen
is liegen. Je kan iemand belachelijk maken met een foto of er net heel
cool laten
uitzien terwijl precies het omgekeerde waar is. Bij film is de montage
belangrijk, bij foto de keuze van het moment. Maar ik huldig wel één
principe:
als iemand je toelaat om hem te fotograferen, mag je op zijn minst wat
respect tonen voor die mens.”
Je
hebt onlangs het mooie fotoboek Heroes uitgebracht, waarin Belgische muzikanten
een pagina lang de bewondering uiten die ze voelen
opborrelen bij een foto van hun held. Mag ik zeggen dat Heroes van een
aandoenlijke en vertederende idolatrie getuigt?
“Ja, dat mag je als je het niet over mij hebt. (lachje) Dat vind
ik inderdaad ook het mooie aan de muzikanten die aan het boek hebben meegewerkt.
Hoe beroemd of berucht ze in België of ver daarbuiten ook mogen zijn,
iedere muzikant in dit boek bekent eenzelfde, haast kinderlijke adoratie
voor
zijn of haar held. Zo zie je maar: iedereen heeft helden nodig.”
Perstekst
voor tentoonstelling Bozar juli 2006 tekst: Bart Steenhaut
De natuurlijke biotoop van Alex Vanhee situeert zich tussen
torenhoge luidsprekers en gierende gitaren. Daar, onder de gloed van de
spots en met
de oren vol muziek, heeft hij de voorbije vijftien jaar avond na avond
de popmuziek in beeld gebracht. Deze recente bloemlezing illustreert dat
Vanhee de discipline beheerst om de persoonlijkheid van de grootste sterren
in één uitgesproken foto te bevriezen. Hij brengt 1/125
seconde stilte
in de storm, lokt het moment geduldig naar zijn lens. Om het dan, in sprekende,
sprankelende kleuren, voor altijd te bewaren.
Tekst:
copyright Dirk Steenhaut
De Morgen 5 februari 1998
“IK FOTOGRAFEER VANUIT MIJN BUIK, NIET VANUIT MIJN HOOFD “
Voor wie De Morgen leest is hij geen onbekende meer, want sinds 1992 verschijnt
zijn werk
regelmatig op de cultuurpagina’s van deze krant. Alex Vanhee (33)
behoort zonder twijfel tot de talentrijkste rockfotografen die ons land
rijk is en
krijgt ook aan de andere kant van de grens stilaan voet aan de grond.
Geen wonder dus dat hij werd uitgenodigd om, vanaf deze week, zijn foto’s
tentoon te stellen in de Brusselse Ancienne Belgique.
Op zijn veertiende
nam hij bij de plaatselijke scoutsvereniging deel aan de jaarlijkse ophaling
van het oud papier. Terwijl zijn vrienden zich
verkneukelden bij de gedachte aan de pornoblaadjes die ze buit zouden
maken, raakte Alex Vanhee vooral gefascineerd door een beduimeld boekje
met houtsneden van Frans Masereel dat hij tussen de rommel aantrof. Na
de middelbare school koos hij dus prompt voor een opleiding in de
grafische vormgeving.”Mijn allereerste opdracht bestond erin op
een wit blad zwarte en grijze vlakken tot een compositie te schikken.
In fotografie
doe je eigenlijk iets soortgelijks. De stap van het ene naar het andere
was dus klein en volkomen logisch.”
Een ander sleutelmoment was zijn kennismaking met Neville Brody, de man
die tijdens de jaren tachtig opmerkelijke platenhoezen ontwierp voor
Cabaret Voltaire en als vormgever werkte voor het Britse blad The Face.
Zijn handelsmerk: dwingende, in het oog springende en vooral groot
afgedrukte beelden. Vanhee zag het en besefte waarvoor hij in de wieg
was gelegd.
Concertfotografie
is een aparte discipline – daar zijn de meeste beeldenjagers het
over eens. Maar wat hij ook op de gevoelige plaat vastlegt, polychromie
is aan Alex Vanhee niet besteed. “Je kunt de emotie en de passie
die gepaard gaan met een performance veel beter weergeven in
zwart-wit. Het levert sterkere beelden op. Kleur verdoezelt veel. In de
concertzaal sta je natuurlijk midden in het gebeuren, tussen de mensen
die zich door de muziek laten meeslepen, maar als je de foto uiteindelijk
afgedrukt ziet, hoor je er de muziek niet langer bij en mis je een belangrijke
dimensie van wat er plaats heeft gevonden. Dus dient de fotograaf een
detail te kiezen waar de essentie van het optreden in vervat zit.
“Als ik werk, probeer ik het geluid zoveel mogelijk uit te schakelen.
Anderzijds is de muziek dan weer belangrijk om het precieze moment te
bepalen waarop je beelden schiet. En dat moment kun je vanzelfsprekend
makkelijker anticiperen als je al wat ervaring hebt. Maar ook de drive
is belangrijk:
een goede fotograaf denkt voortdurend in beelden; hij leeft dag in dag
uit met zijn camera. Hij staat ermee op en gaat ermee slapen. En dan nog
garandeert het niet altijd een geslaagde foto. Op sommige avonden druk
ik slechts vijfmaal af en hou ik er toch bruikbaar materiaal aan over.
Op
andere jaag ik er twee à drie filmrolletjes door en ben ik achteraf
nog ontevreden. Of ik zelf een muziekliefhebber ben? Dat spreekt. Je kunt
slechts goede foto’s maken als je voor honderd procent geboeid wordt
door je onderwerp.”
Ongewone camerahoeken helpen natuurlijk de aandacht van de kijker te trekken.
Toch worden ze niet zelden ingegeven door louter praktische overwegingen.
“Meestal gaat het erom storende elementen te vermijden; een schijnwerper
verwordt in je beeld al gauw tot een witte vlek; een microfoon of een
versterker kan het evenwicht in de compositie verstoren. Die dingen tracht
je dus te bannen “
Behalve een bedreven live-fotograaf is Alex Vanhee ook een begenadigd
portrettist. “Vroeger trachtte ik altijd enige voorkennis te verzamelen
over wie ik voor mijn lens zou krijgen maar tegenwoordig doe ik dat minder
en minder. Als je teveel weet over de ter portretteren artiest, dreig
je immers stereotiepe, al te voor de hand liggende plaatjes te schieten.
Intussen ben ik instinctiever gaan werken. Ik handel nu naar de
omstandigheden – naar de lichtinval, het decor en de mogelijkheden
van het moment. Ik wil het toeval zeker niet uit mijn werk weren.
Want eigenlijk word ik graag verrast. “Ik praat zelden of nooit
met de muzikanten die ik fotografeer, omdat ze dan wel eens dingen doen
die heel ‘bruikbaar’ zijn. Je kunt bijvoorbeeld veel aflezen
van een gelaatsuitdrukking, de manier waarop iemand zijn handen gebruikt.
Maar het gezicht is
het belangrijkst. Sommige gezichten kunnen heel mooi zijn in hun lelijkheid.
Vaak accentueer je dus eigenaardigheidjes, opvallende trekken, al moet
je er zeker voor opletten dat je niet in het karikaturale vervalt. Als
ik werk geef ik mijn modellen graag de indruk dat ik een ondergeschikte
rol speel.
Dat is natuurlijk slechts schijn. Want uiteindelijk blijf ik wel meester
over het beeld”.
Dient een fotograaf een goede psycholoog te zijn? “ Nee, veeleer
een voyeur. Of laten we het, met enig gevoel voor diplomatie, maar bij
observator houden. Ach, misschien gebruik je wel bepaalde psychologische
inzichten, maar dan gebeurt dat zeker onbewust. Want doorgaans ben
je verplicht erg snel te werken. Hoe dan ook: ik fotografeer vanuit mijn
buik, niet vanuit mijn hoofd. Fotograferen is kiezen : je bevriest heel
specifieke momenten en daarbij laat je je toch vooral meeslepen door je
emoties”.
Frustratie? “Dat in de rockfotografie beelden niet altijd beoordeeld
worden volgens hun kwaliteit, maar volgens de graad van bekendheid van
de
figuur op de foto. Een middelmatig kiekje van Michael Stipe sorteert bij
het publiek altijd meer effect dan een schitterend beeld, van pakweg,
Iva Bittová. Terwijl het met iets minder bekende namen zoveel aangenamer
werken is. Zonder de druk van de platenmaatschappijen of
management beschik je over meer tijd, zodat je een interessantere setting
kunt kiezen en je de gelegenheid krijgt een beter, intiemer contact
te maken met de mensen die je fotografeert.”
Beschouwt Alex Vanhee zijn werk als kunst of als journalistiek? “Als
geen van beide. In het beste geval is het toegepaste kunst, omdat je toch
altijd werkt met het oog op een opdrachtgever. En journalistiek? Nee,
ik zou mijn foto’s zeker niet objectief noemen. Ik ben veeleer …..esthetisch
bezig. Een goede foto moet kracht uitstralen, ervoor zorgen dat iemand
die de krant doorbladert bij het beeld blijft hangen, erbij stilstaat.
En als
het even kan, moet zij ertoe uitnodigen het bijbehorende artikel te lezen.
Lukt dat, dan krijg ik het gevoel dat in mijn opdracht ben geslaagd.”
Het
moment waarop je afdrukt is belangrijker dan ooit'
door Dirk Steenhaut
Popfotograaf
Alex Vanhee stelt zijn werk tentoon in Maldegem.
Sinds 1992 publiceert de Gentse rockfotograaf Alex Vanhee
zijn concertfoto's en muzikantenportretten vrijwel dagelijks in De Morgen.
Maar ook
buiten de landsgrenzen wordt zijn werk gewaardeerd. Veel van zijn beelden
sieren cd- of dvd-hoezen van internationale beroemdheden. Een greep
uit zijn omvangrijke archief is vanaf morgen te bekijken in Maldegem.
Door Dirk
Steenhaut
MALDEGEM
l Al meer dan vijftien jaar vat Alex Vanhee (43), camera in de aanslag,
haast iedere avond post voor een of ander podium. Kan hij na
al die tijd nog steeds dezelfde gedrevenheid voor zijn vak aan de dag
leggen als in zijn prille begindagen?
Alex Vanhee: "Vreemd genoeg wel, omdat dit beroep me de kans geeft
mijn twee grote passies, muziek en fotografie, te combineren. Het is wel
een zwaar bestaan: je moet vaak uren van tevoren ter plekke zijn en dan
is het wachten geblazen. Ik snap dus wel waarom collega's zoals Filip
Claus, Johan Jacobs, Marco Mertens of zelfs Anton Corbijn op een bepaald
moment het concertwereldje vaarwel hebben gezegd. Maar zelf ben ik
het nog lang niet beu. Het is mijn biotoop en ik voel me er prima."
Bekruipt het gevoel u nooit dat u ieder denkbaar beeld al hebt
geschoten?
Vanhee: "Zeker.
Bij artiesten die ik al 25 keer voor mijn lens heb gekregen, valt het
me soms moeilijk nog een nieuwe invalshoek te vinden. Maar
bij nieuwe bands blijft het een uitdaging om sprekende foto's te maken.
Gelukkig krijg ik bij De Morgen nog een zekere vrijheid. Veel bladen of
agentschappen dringen aan op mooi uitgelichte close-ups en dat is saai.
Toch is de hele mediawereld veranderd: vroeger kwam je soms weg met
een mooi silhouet. Dat is vandaag helaas niet langer denkbaar."
Vroeger
was u niet zo dol op polychromie. 'Kleur verdoezelt veel', vond u toen.
'Zwart-wit levert veel sterkere beelden op.' Vandaag eisen uw opdrachtgevers
vrijwel allemaal kleur. Een bron van frustratie?
"Ja
en neen. Toen ik dat zei, bekeek ik de wereld letterlijk in zwart-wit
en was ik nauwelijks vertrouwd met kleurenfotografie. Ik heb me die
discipline onder dwang en zeer tegen mijn zin eigen gemaakt, maar achteraf
bekeken heeft het me geen kwaad gedaan. Ik gebruik mijn ogen nu
op een andere manier, al heb ik er tijd voor nodig gehad.
"Vooral bij portretten werkt kleur veel moeilijker dan zwart-wit.
Vroeger verkeerde ik in de waan dat het net omgekeerd was. De druk om
te
veranderen heeft me dus een nieuwe drive gegeven. Voor concertfoto's is
kleur trouwens leuker, ook al omdat de lichtshows van de meeste bands
beter geworden zijn. Dat maakt het levendiger. Een nadeel is dat fotografen
doorgaans slechts mogen werken tijdens de eerste drie nummers van
een set. Daardoor moet je het met de opwarming stellen en mis je steevast
de climax."
Heeft de overgang van analoge naar digitale fotografie uw metier
ingrijpend veranderd?
"Niet
echt. De overgang van zwart-wit naar kleur was voor mij veel dwingender.
De digitale techniek is beter voor het milieu en voor je eigen
gezondheid. Je hoeft niet langer in de donkere kamer met chemicaliën
aan de slag. En nu je je beelden langs elektronische weg naar
krantenredacties kunt sturen, breng je ook minder tijd achter het stuur
door. Een evolutie die ik zeker toejuich."
Is het leven van een popfotograaf nu ingewikkelder dan pakweg vijftien
jaar geleden?
"Absoluut.
Nu er in het concertcircuit het meeste geld wordt verdiend, vinden er
meer optredens plaats. Vroeger documenteerde ik zo'n drie
concerten per week, maar dezer dagen zijn dat er zes of zeven. Bovendien
is het veel drukker geworden in de frontstage, waar je nu ook
fotografen van muzieksites aantreft. Gevolg: artiesten, managements en
platenfirma's leggen extra restricties op.
"Bij shows van Amerikaanse artiesten in het Sportpaleis mag je enkel
nog fotograferen vanaf de mengtafel in het midden van de zaal. Dus ben
je aangewezen op 'lange lenzenfotografie' en dat heeft invloed op je aanpak.
Als iedereen vanuit dezelfde positie met dezelfde lenzen moet werken,
krijg je uniforme beelden. Het moment waarop je afdrukt is dus belangrijker
dan ooit. Zeker als je op je foto's een eigen stempel wilt drukken."
Hebt u na al die jaren al een duidelijk idee van hoe de ideale
rockfoto er moet uitzien?
"Het
zit hem in het onverwachte detail, de verrassende invalshoek. Het meest
tevreden ben ik als ik met mijn foto's iets kan tonen wat het
aanwezige publiek volledig is ontgaan. Dat lukt niet altijd, maar ik blijf
het wel proberen."
Alexpo, fototentoonstelling van Alex Vanhee, van 8 februari tot 8 maart
in Cultuurhuis Maison, Maldegem.
Fotograaf
Alex Vanhee:
Ik ben het
meest tevreden als ik met mijn foto's iets kan tonen wat het aanwezige
publiek volledig ontgaan is.
Publicatiedatum : 2008-02-07
Sectie : Cultuur
Alex
Vanhee selecteert 100 concertfoto's voor DeMorgen.be
De Morgen gaf concertfotograaf Alex Vanhee
een haast onmogelijke opdracht: uit zijn archief moest hij honderd concertbeelden
opdiepen, die onlosmakelijk verbonden zijn met het afgelopen decennium.
Vanaf vandaag kun je het resultaat bekijken.
Het afgelopen decennium was absoluut interessant voor een concertfotograaf
Vanhees selectie leverde een unieke collage op, waarbij vergane glorie
en glamour, doodsverlangen en geestdrift, legendarische data en uitzonderlijke
snapshots hand in hand lijken te gaan.In zijn beeldkeuze wordt je aandacht
bijvoorbeeld onmiddellijk getrokken naar twee nationale iconen in een
warme omhelzing (Arno en Toots Thielemans op Belgavox), maar net zo goed
dwingt de fotograaf je in de rol van stille getuige. Door zijn ogen zie
je de onbetwiste gangmakers van de noughties nu eens balanceren tussen
leven en dood, dan weer geeft Vanhee je het gevoel op de eerste rij te
staan wanneer up-and-coming-artiesten opklimmen van welpje tot jonge leeuw.
"Ik concentreerde me in deze reeks vooral op de eerste clubconcerten
van Bloc Party, Editors of Kaiser Chiefs," vertelt Vanhee. "De
overgang van jonge muzikant die net uit bed lijkt gerold naar de ster
in wording, is een intrigerend parcours. "
Even verder hink-stap-spring je via euforie (Arno die een koersfiets
krijgt van zijn held Eddy Merckx) over nostalgie (de reüniekoorts
van Sex Pistols) naar diepe teleurstelling (de tranen van Kate Ryan in
Athene na haar echec op Eurosong). Twee constantes werden daarbij gerespecteerd:
"Het moest een goed beeld zijn van een muzikant, die zijn stempel
merkbaar drukte op de laatste tien jaar. Zelfs al is dat dan maar een
Doherty die volkomen van de wereld is. Tijdens zijn concert in de Botanique
leek het wel alsof twee films zich tegelijkertijd voor mijn ogen afspeelden:
ik zag een halfdode, zwetende junk zoeken naar de juiste songteksten en
akkoorden, terwijl het publiek volledig uit zijn dak ging. Hoewel Doherty
duidelijk hulp nodig had, kon hij alleen rekenen op blinde adoratie. Dat
blijft een onwerkelijk beeld."
Daarnaast vatte Vanhee de fotoreeks op als een sober maar ontroerend
in memoriam: zo worden James Brown, Willy DeVille, Yasmine, The Cramps,
André Hazes of Bram Vermeulen herdacht met een typerend liveportret.
Vooral die laatste zal de fotograaf niet licht vergeten, en niet alleen
omdat Vermeulen graag beroep deed op Alex voor platenhoezen en artwork.
"Die bewuste foto heeft in de eerste plaats voor mezelf een spectaculaire
waarde. Ze is getrokken op 9/11: terwijl het leek alsof de wereldbrand
elk moment kon uitbreken, stond iedereen zijn angst en spanningen te verdringen
met Vermeulens liedjes." Misschien beelden we het ons maar in, maar
de blik van Vermeulen lijkt onbegrip, machteloze woede én passie
ook effectief te verraden.
Inmiddels werkt Vanhee al zeventien jaar voor De Morgen. Hij kan de afgelopen
twee decennia dus gemakkelijk tegen elkaar afwegen."Dit was absoluut
een interessant decennium voor een concertfotograaf," meent hij.
"De shows van beginnende bands zien er allereerst een stuk professioneler
uit. En bovendien heb ik de indruk dat álles kan vandaag: de ene
avond leg ik een succesvolle reünie vast, de volgende avond zie ik
een debutant de pannen van het dak spelen. Zoveel afwisseling komt ook
mijn werk ongetwijfeld ten goede." (Gunter Van Assche)
14/12/09 07u42
|